Een dag in de Hel

In dit stuk bespreek ik de dag 28 augustus 2015. Renze, Loek en ondergetekende rijden richting Noord-Frankrijk. Drie goedgemutste fietsvrienden die Parijs – Roubaix willen fietsen. We zijn benieuwd naar datgene wat ons te wachten staat. Ondertussen verklaren we onszelf voor gek. “Waarom doen we dit in godsnaam?”

In België hadden we al wel een leuk stukje kasseien gedaan. Toch hebben we ons in het hoofd geprent dat die wegen daar niets voorstellen in vergelijking met de wegen in het desolate noorden van Frankrijk. De realiteit blijkt nog erger te zijn. Het gevoel van Parijs – Roubaix is met geen andere wielerwedstrijd te vergelijken.

De omgeving in dit deel van Frankrijk is niet echt mooi te noemen, dit in tegenstelling tot het Vlaamse heuvelland. Maar dat is misschien ook wel weer mooi. Parijs – Roubaix is ook geen wedstrijd die je rijdt omwille van het lieflijke karakter. De koers is rauw, bikkelhard. Het is bijna niet voor te stellen dat in hetzelfde land de lieflijke Côte d’Azur ligt. En lavendelvelden. En mooi begaanbare bergpassen. Dat is allemaal heel ver weg in het gebied waar mijnen, koeltorens en typische, lelijke plattelandsdorpjes het landschap sieren. De trieste omgeving is fantastisch, het maakt de beleving compleet.

De eerste strook die we aandeden was direct de moeilijkste: het Bos van Wallers. Zowel heen als terug. Een mooi opwarmertje. Na deze verschrikkelijke, maar o zo mooie strook (“vijf sterren? Minstens twaalf!”) hadden we de boodschap begrepen. Dit is geen tocht voor ordinaire wielrenners. Dit is gemaakt voor lichtelijk gestoorde types. Het is een select gezelschap die het aandurft om zulke idiote ondernemingen te doen. En wij horen er bij.

Trouee d'Arenberg
“Waarom makkelijk doen als het moeilijk kan?”

Er volgt nog een strook. En nog één. En nog één. We komen langs iconische plaatsen op de route, zoals Pont Gibus. Er komt geen einde aan de kwelling. Met elke kassei krijg ik het gevoel dat mijn ingewanden nog meer door elkaar zijn gerammeld. Met elke pedaalslag trilt het vlees nog een stukje verder van mijn botten.

Hoe het voelt om over die stenen te rijden? Neem een drilboor en laat die eens een paar uur achter elkaar zijn gang gaan terwijl je fietst op een hometrainer, of zoiets. Dan moet je toch enigszins in de buurt komen. O, en ga ergens in een net omgeploegde akker zitten voor de ultieme simulatie. De klappen die je krijgt zijn onregelmatig, en ze lijken elke keer harder te worden. Je voelt ze ook overal. Handen, benen, schouders, rug; overal. Bij elke steen weer.

We blijven dapper doorzetten. Na elke strook die we overleefd hebben moeten we ons echt opladen vooraleer we aan de volgende reeks keien beginnen. Maar we geven niet zomaar op.

En dan toch, na weer een kwelling van jewelste, is het duidelijk. Het is genoeg geweest. Het is op. l’Enfer du Nord heeft ons helemaal door elkaar geschud. Kapot nemen we plaats op een bankje, ergens in zo’n typisch lelijk dorpje. We betuigen ons diepste respect voor een ieder die deze tocht zelfs maar uit weet te rijden. En dan volgt dit gesprek.

“Normale mensen zouden nu zeggen dat dit een gevalletje ‘eens maar nooit meer’ is.”
“Klopt.”
“En? Hoe zit dat bij jou?”
“Ik wil best nog een keer.” Er volgt een veelbetekenende glimlach.

Het is bijzonder. Want ondanks dat we fysiek flink te lijden hebben gehad heeft dat ons alleen maar gesterkt in onze liefde voor deze prachtige koers. We doen een plechtige belofte: ooit komen we terug en doen we alle stroken. Tegelijkertijd verklaren we onszelf wederom voor gek.

We doen nog één bijzondere plaats aan. Helemaal aan het einde van Parijs – Roubaix ligt het vermaarde velodroom in Roubaix. We besluiten het te bezoeken. We hebben de baan dan wel niet fietsend vanuit Compiegne bereikt, en we hebben ook niet alle 27 stroken gedaan, maar na zo’n tocht moet je er toch even kijken. En eenmaal op de Rue Alexandre Fleming aangekomen beslissen we om toch nog een paar rondjes te doen. We zijn er immers toch.

De betonnen wielerbaan is prachtig vervallen, zoals heel dit gebied eigenlijk enorm is vervallen. De bovenlaag van de baan is nodig aan vervanging toe, want het zit vol met gaten. Het is zelfs zo hobbelig dat het moeiteloos een gemiddelde autoweg in België zou kunnen zijn. In het midden van de wielerbaan spelen kinderen een potje voetbal. Ook is er een hardloopster die wat rondjes loopt over het gras. Wij rijden onze rondjes en komen uiteindelijk juichend over de finish. Het is een beetje heiligschennis, maar kom. Dat mag best voor één keer.

Roubaix Velodrome

 

 

 

 

 

 

Kort samengevat: het is een meer dan unieke ervaring om over de wegen van deze klassieker te rijden. Het is eigenlijk een krankzinnige onderneming, en dat maakt het juist zo mooi. Het heeft ons meer dan gesterkt in de liefde voor de koers. Wat blijft herinneren aan de tocht zijn de foto’s die we onderweg hebben gemaakt. En ja, ik ben er best blij mee.

Deze foto bijvoorbeeld, genomen bij Pont Gibus op de secteur pavé de Wallers à Hélesmes. Een kasseienstrook die kinderlijk eenvoudig is vergeleken met het Trouée d’Arenberg, maar het is een iconisch punt op de route.

Pont Gibus

En dan deze. God mag weten waar de foto is genomen, maar ik ben er verliefd op.

Roubaix

Wat overigens ook bijblijft is het fysieke ongemak. Pas drie weken later heb ik het gevoel dat ik weer normaal een pen kan vasthouden. Het maakt dat ik nu toch nog net even anders naar Parijs – Roubaix ga kijken. Wie er wint is bijna onbelangrijk. Iedereen die het Velodrome bereikt is eigenlijk al een winnaar.

Maar toch zou ik ook wel heel graag willen winnen.

Auteur: Tim de Vries

Schrijft. Praat in microfoons. Fietst. Geniet. Doet verder nog allerlei andere dingen. Heeft zelfs meningen. Het is me allemaal wat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *